
Deze week besteden we aandacht aan een kinderspel dat vroeger al veel gespeeld werd en vandaag de dag nog steeds, nl het knikkerspel.
In mijn lagere schooltijd, eind zestiger, begin zeventiger jaren, kwamen de kalkknikkers, dit waren knikkers die van witglas gemaakt werden, vandaar de naam kalkknikers., In vroegere tijden werd er op twee manieren gespeeld, we hadden het bekende kuiltje knikkeren en we hadden het stapelknikkeren. Het eerste wordt nog steeds gespeeld, waarover zo meer, het andere spel is bij de jeugd niet meer bekend. Hier werden vier knikkers op elkaar gestapeld en van een bepaalde afstand moest de ander dan met een knikker de knikkerstapel omver gooien. Wanneer je dan raak had gegooid mocht je de knikkers houden. degene die de knikkkerstapel gelegd had, mocht de knikkers houden die er naast gegaan waren. Het kuitljeknikkeren heeft nog steeds dezelfde spelregels als vroeger. men heeft een kuiltje daar wordt een knikker in gegooid en de ander moet proberen om zo dicht mogelijk erbij te komen. degene die het dichtst erbij zit, mag als eerste proberen om de knikker in het kuiltje te gooien, daar is ook een variatie op, dat je tegen de muur moet tikken als je tweedes bent. De kinderen proberen er ook variaties in aan te brengen, zo hebben ze bv. het wagen, hierbij moet je verplicht over een bepaalde tegel rollen, anders geldt de worp niet en zo zijn er meerdere. We vertellen dit zodat u kan zien dat kinderen vroeger en nu toch nog dezelfde spelletjes spelen ondanks het computertijdperk. Dit verhaal is tot stand gekomen mede door onze buurjongen Niels Abbink, hij heeft de knikkers laten zien en een beetje over de achtergrond verteld, Niels bedankt.
Onderstaande reactie kreeg ik van Arie Boertje uit Zevenhuizen: Met knikkeren had je ook een gokspelletje dat heette: eef of oneef. Mocht u nu zelf een leuk verhaal of anekdote weten, stuur dan even een berichtje per mail of per post, dan plaatsen we dat hier op deze site.
Het knikkeren werd al door mijn moeder gespeeld, toen zij de lagere schoolleeftijd had, zeg maar begin jaren vijftig, men speelde toen met zgn. kleiknikkers. zie foto. Deze werden gebakken van klei en waren dus zeer broos, of wel breekbaar. Ook toen kende men het kuiltje knikkeren al.
Ook kende men de gewone glazen knikkers en stuiterballen en de grotere heetten toen kalebassen. Deze knikkers waren te herkennen omdat ze doorzichtig waren en een gekleurde vlam erin hadden.
Tegenwoordig hebben ze allerlei soorten zoals hier reuze reuze en de spikkels of de turbo en de mega, mega, hoe groter de knikker hoe meer waard ze zijn.
Als je bv. twee spikkels hebt, dan heeft dat dezelfde waarde als één turbo en zo kun je doorgaan.
Voor de jeugdige spelers van de eerste klassen hebben ze een extra foefje, als je binnen een bepaalde rand zit, dan mag je hem niet meteen in het kuiltje gooien, maar moet hij eerst weer buiten de rand gegooid worden.
Je stopte één of enkele knikkers in je hand, kneep je hand dicht en vroeg aan een ander: even of oneven of te wel: eef of oneef.
Had de ander het goed, dan mocht hij de knikkers in ontvangst nemen. Had de ander het fout, dan moest hij het aantal knikkers geven dat ik in m'n hand had uit zijn knikkerzak.
De knikkerzak was vaak gemaakt door moeder van een oud lapje met een touwtje er doorheen.